Dikdoenerij waar de dieren niet beter van worden

oktober 2000

 

Waar heeft het toch in ’s hemelsnaam mee te maken? We weten het niet. Het lijkt wel een rage die af en toe opduikt en dan een tijdlang weer verdwijnt. Hoe dan ook, er zijn er de voorbije zomer weer een paar ten tonele verschenen, een paar van die bizarre, ietwat gestoorde creaturen die plots doodleuk met een pasje gaan zwaaien in een dierenasiel. Ze stellen zich voor als "meneer inspecteur", vertellen meteen het klassieke verhaaltje waaruit hun nederige toehoorders met eerbiedige vrees zouden moeten onthouden hoeveel dierenasielen er op hun eenvoudig verzoek reeds werden gesloten en niet gehinderd door een gebrek aan misplaatste pretentie eisen ze zonder blikken of blozen toegang tot de dierenverblijven. Met een vergrootglas gewapend willen ze meteen het hele asiel tot in de meest verborgen hoekjes inspecteren en als het hun even wat meezit een massa tekorten ontdekken. Want kritiek formuleren, daar kicken ze op.

Nu kan je zo’n kerel uiteraard gewoon zijn zin laten doen. Je kan hem ongestoord laten leven met de zoete illusie dat hij – door het bezit van een eigenlijk waardeloos stukje karton – een ontzettend belangrijk persoon is geworden. Een man die gevreesd wordt en die met respect wordt bejegend. Of je kan zo’n eigenaardige snuiter ook duidelijk maken dat hij zich hopeloos belachelijk aanstelt, dat zijn holle frasen niet in het minst imponeren en dat hij er best aan doet het terrein met bekwame spoed te verlaten. We menen dat de tweede optie de voorkeur verdient: je loopt dan natuurlijk de kans dat je verwaande bezoeker de strijdbijl niet meteen wil begraven, maar als hij telkens opnieuw een blauwtje blijft lopen, dan zal zelfs hij ooit begrijpen dat dieren beschermen toch nog wat meer is dan een infantiel spelletje "medemens pesten voor eigen vermaak".

Je vraagt je natuurlijk af wat zo’n rare kwibus bezielt. En vooral wat hij verder nog allemaal uitspookt. Het is immers weinig waarschijnlijk dat zijn ijdelheid voldoende gestreeld wordt door zijn tochtjes naar dierenasielen. Waar hij wellicht zelden of nooit au sérieux wordt genomen. De kans is dan ook heel reëel dat hij dag na dag naarstig op zoek gaat naar bij voorkeur onmondige mensen op wie hij probleemloos wat indruk kan maken. Een kommetje water dat niet tot de boord is gevuld of een ren met een eenzame drol kan een alibi zijn om een inval te wagen. Uiteraard niet om dieren te helpen maar om mensen te intimideren. En er zijn er nu eenmaal – gelukkig voor hem – die fataal het noorden verliezen bij het zien van een vreemde bezoeker die daarenboven nog inspecteur blijkt te zijn.

Eigenlijk zouden we om dat groteske gedoe nog best kunnen lachen, ware het niet dat ons werk wordt geschaad. Want als zo’n stuk onbenul zijn onzinnige poespas aan intelligente mensen vertelt die veralgemenend uit de conversatie onthouden dat dierenbeschermers geen overvloed hebben aan grijze cellen, dan kan je bezwaarlijk verwachten dat onze strijd voor de dieren enthousiast wordt gesteund. De dierenbeschermingsbeweging hoort zuinig te zijn bij het uitreiken van een kaart "inspecteur", ze dient haar medewerkers zorgvuldig te kiezen en nauwlettend te volgen en – wat nog belangrijker is - ze is er moreel toe verplicht tijdig en efficiënt tussenbeide te komen zodra ook maar het zwakste vermoeden bestaat dat een zonderling misbruik maakt van zijn kaart.

Donald Stevens