Het eigendomsrecht op een zwerfdier

juli 2002

De wet op het dierenwelzijn - artikel 9 § 2

In publicaties van dierenasielen lezen we soms de verrassende mededeling dat een zwerfdier gedurende 15 dagen na opvang in het asiel moet verblijven en dat het bij adoptie tot 45 dagen na opvang door de eigenaar opeisbaar zou zijn. We zijn van oordeel dat deze interpretatie van de wettekst onjuist is en willen verduidelijken waarom we op basis van artikel 9 § 2 menen te mogen besluiten dat een zwerfhond, die 15 dagen in het dierenasiel heeft vertoefd, voor adoptie in aanmerking komt zonder dat de eigenaar nog enig eigendomsrecht kan doen gelden.

Het eerste lid van §2 geeft eigenlijk de algemene regel weer: "Het dier, toevertrouwd aan een dierenasiel of dierentuin, moet tenminste vijftien dagen na de besteding ter beschikking van de eigenaar worden gehouden." Het gaat dus om een dier dat in het asiel ter beschikking van de eigenaar blijft en dat het asiel in de loop van die 15 dagen niet verlaat.

Het tweede lid van §2 luidt: "Indien het dier door het gemeentebestuur of door het asiel toevertrouwd of afgestaan wordt aan een persoon, moet deze er zich toe verbinden het ten minste vijfenveertig dagen, te rekenen vanaf het ogenblik dat het aan het gemeentebestuur werd toevertrouwd, ter beschikking te houden van zijn vroegere eigenaar." De manier waarop deze bepaling is geformuleerd, sluit naar we menen uit dat hier een klassieke adoptie bedoeld wordt. Er zou in dat geval geen voorwaardelijke wijze gebruikt zijn. Als dit tweede lid zou slaan op een klassieke adoptie, dan zou het uiteindelijk gelden voor elke hond die niet pijnloos gedood wordt, want elke levende hond is uiteindelijk voor adoptie bestemd. Het gebruik van het voegwoord "indien" doet vermoeden dat hier een afwijking van de algemene bepaling (eerste lid) wordt bedoeld.

Het ligt dan ook voor de hand dat dit tweede lid alleen maar rekening houdt met de mogelijkheid dat een gemeentebestuur rechtstreeks werkt met een particulier aan wie het een zwerfhond in bewaring geeft (en dat gebeurt effectief) of dat een dierenasiel zo overbevolkt is dat het een zwerfhond uitzonderlijk onderbrengt bij een particulier of dat een zwerfhond voor het verstrijken van de 15 dagen voorlopig in adoptie wordt gegeven, waardoor hij dus niet langer verblijft in het dierenasiel.

Als we het tweede lid van §2 zouden interpreteren als een bepaling die slaat op de klassieke adoptie, dan stelt zich daarenboven een ander probleem. Het zou betekenen dat een zwerfhond na 15 dagen verblijf in het dierenasiel probleemloos mag worden gedood (eerste lid sluit dat niet uit), waardoor er van een langduriger eigendomsrecht geen sprake meer is, terwijl er bij adoptie andere maatstaven gelden. Nog anders uitgedrukt: een asiel mag na 15 dagen iemands hond pijnloos doden (heeft dus een absoluut beslissingsrecht), maar dat beslissingsrecht zou niet bestaan als het een adoptie betreft, hoewel in beide gevallen dezelfde voorwaarde (15 dagen asiel) nageleefd werd.

En dan is er het derde lid van §2: "Na het verstrijken van die termijnen wordt de houder er van rechtswege eigenaar van." Het lijkt ons logisch dat hier bedoeld wordt dat het asiel na het verstrijken van een termijn van 15 dagen eigenaar wordt van het dier op voorwaarde dus dat het dier 15 dagen in het asiel doorgebracht heeft. Werd het dier door gemeente of asiel bij een particulier ondergebracht, dan geldt een termijn van 45 dagen. We menen dus dat het derde lid het eerste ondersteunt, waaruit we besluiten dat een dierenasiel van rechtswege eigenaar wordt van een zwerfhond op voorwaarde dat die hond 15 dagen in het asiel heeft doorgebracht.

Donald Stevens