Asielmedewerk(st)ers hebben het woord...

 

Maria Coemans onderaan links

Dochter Annie Van der Wiel

In januari 2001 trok ik samen met mijn gezin als uitbaatster naar het dierenasiel in Aarschot. Wij wisten van toeten noch blazen, maar gaandeweg leert men omgaan met de dieren. Toch was het aanvankelijk overweldigend, want ik was maar één hond gewend. De eerste week beleefden we onze vuurdoop: er waren tweeëntwintig geiten op te halen met de dienstwagen. Van geiten wisten we nog minder dan van honden en katten, maar gelukkig kregen we de hulp van oude rotten in ’t vak, allemaal vrijwilligers en vrijwilligsters die in het asiel komen helpen.Een dag in het dierenasiel is altijd even druk: van ’s morgens tot ’s avonds schoonmaken, voedsel ophalen en bereiden, zwerfhonden ophalen, bezoekers te woord staan, enz. Als buitenstaander wist ik niet dat er zoveel dierenleed bestond. We worden er dagelijks mee geconfronteerd, we zijn er altijd mee bezig en we krijgen een hoop vriendschap van de dieren terug. Elke morgen als we beginnen bijvoorbeeld al een welkomstgroet. Maar er zijn ook minder aangename kanten aan de job: zieke honden en katten, euthanasie of kinderverdriet om een weggelopen hond. Gelukkig, zoals ik al zei, staan we er niet alleen voor, we maken deel uit van een grote familie die haar ups en haar downs kent.
De zomer is een gezellige tijd. De dagen zijn lekker lang en dan komen er nog meer vrijwilligers: studenten en jongere kinderen die allen een handje komen helpen.

Sommigen, de meest gemotiveerde helpers, krijgen de smaak te pakken en zijn ook na de vakantie nog altijd present. Onze jongste vrijwilliger is negen jaar en hij komt tijdens de vakantie samen met zijn mama helpen poetsen. Na schooltijd zet hij zich in voor onze jaarlijkse kalenderverkoop. Voor dit nummer heeft hij zelfs een verhaaltje over zijn ervaringen in ons dierenasiel geschreven. Zo moesten we er meer hebben. Misschien werkt zijn voorbeeld wel aanstekelijk?

In de loop van het schooljaar krijgen we dan ook het bezoek van verscheidene scholen. Dat is me dan telkens het dagje wel: zo’n dertig kinderen in toom houden, hun alles uitleggen, ze af en toe eens een handje laten toesteken… Geef mij maar een asiel vol honden, dat is veel gemakkelijker.

Nu, tien maanden later, heb ik nog steeds de indruk dat ik van toeten noch blazen weet. Maar het bevalt me wel in het asiel. Er is nog veel werk aan de winkel en ik hoop het nog een tijdje te kunnen blijven doen samen met de andere dierenliefhebbers die steeds paraat staan om in te springen. En als iedereen een handje helpt, dan komen we er wel.


Maria Coemans,

 

 

Op een handelsbeurs (zoals dat toen heette) in Aarschot liep ik langs een stand van de Vlaamse Vereniging voor Dierenbescherming. Ik kreeg het tijdschrift Protego mee naar huis en las dat een zekere Walter Beyens inspecteur was en zelfs in mijn buurt woonde. Ik ben bij hem gaan aankloppen en de daaropvolgende zondag ging ik met Walter mee om kennis te maken met de asielgasten. Dit is nu 21 jaar geleden en ondertussen is het een verslaving geworden.

Waarom ik in deze mallemolen ben gestapt? Wel, ik ben een dierenvriend en dieren zijn hulpeloos en afhankelijk van mensen. Ik was al meerdere malen geschokt van hoe wij als mensen, “het slimme ras”, met hen sollen, beulen, hen verminken of geen greintje respect tonen voor de levende wezens die ze zijn. En dus ook niet voor hun vreugde of hun pijn.

Het duurt een hele tijd vooraleer je weet hoe je jezelf mentaal moet aanpakken om geen slapeloze nachten meer te hebben. Je wordt wakker en je ziet nog een bange poes of de angstige ogen van het hondje dat daarstraks binnengebracht is om de een of andere reden. Verhuis, echtscheiding, geen tijd meer, gewoon beest moe, mag niet van de huisbaas, gaat altijd lopen, enzovoort. Je bent kwaad op mensen die een dier kopen en niet hebben nagedacht, want hierdoor zit het asiel vol. Maar dan zie je ook mensen die met tranen in de ogen verdwijnen, mensen wier hart breekt omdat het echt niet anders kan. Naar een rusthuis, wegens ziekte, financiële problemen... Pas na jaren besef je dat je in ’t holst van de nacht niets kan doen. De beestjes zitten immers veilig, ze hebben eten en drinken, zitten warm. En morgen is er kans op adoptie! Zo heb ik mijn nachtrust teruggevonden.

Het is niet alleen kommer en kwel hoor. Er zijn vele leuke herinneringen, elke adoptie is immers een leuke herinnering. Ik heb wel een zwak voor de oudjes. De adoptanten van deze senioren verdienen de hemel, denk ik dan. En op dat moment bestaat er een hemel. Of als er eindelijk een asielgast vertrekt, na maanden en maanden wachten. Soms krijg ik dan een foto van een fiere hond op een kussen, een slapende poes op een schoot. Met een bedankje voor de goede zorgen, dat doet deugd. Ik herinner me ook nog een heel oud vondelingetje, Joske hadden we hem genoemd. Hij was blind en verbleef al een paar maanden in het asiel. Op een dag kwamen er mensen kijken voor een hondje want hun hondje was gaan lopen om ergens te gaan sterven, zeiden ze. En wie vonden ze terug bij ons? Hun Maxke, onze Jos natuurlijk. Iedereen happy.

Ook Oucher vergeet ik nooit. Een Amerikaanse Stafford van acht jaar, zeven maanden asiel. Een paar maanden na zijn adoptie komt Oucher ons bezoeken in een jasje waarop zijn job staat: “therapiehond”. Dit is wel om een traan weg te pinken.

Mijn slechtste herinneringen gaan over mensen die hun hond, poes of ander dier komen afstaan, en zonder één blik, zonder één blijk van emotie vertrekken. Wat een leven moet dat dier dan hebben gehad? Misschien kan het dan alleen maar beter worden, dat wel. Een verwaarlozing die je binnen krijgt en het dier is graatmager... Hij of zij kreeg nochtans elke dag eten volgens het baasje. Twee zakken met een vijftal hondenkadavers die aan een bosrand waren gedumpt. Een broodkweker bij wie we een twintigtal misvormde hondjes vol klitten hebben weggehaald. Enkele Boomers die uit een kelder zijn gehaald en die nog nooit daglicht hadden gezien en zelfs flauw vielen toen ze in de buitenlucht kwamen. En dan sommige bezoekers of eigenaars die hun verloren gelopen dier komen terug halen en die voor geen enkele rede vatbaar zijn, die alles, maar dan ook alles beter weten en denken dat wij de wetten maken. Arrogante mensen waar wij als vrijwilliger uitschot voor zijn maar voor wie we wel dag en nacht moeten klaarstaan. Het is niet mijn bedoeling om hier grof te zijn, maar na al die jaren...

Als ik één dag minister voor dierenwelzijn was, zou ik de huidige minister verplichten twee maanden alleen een asiel te runnen en dan de bestaande wetten te herbekijken. De chip bracht een grote verbetering, en het nut zou nog groter zijn, mocht de wet op de privacy niet bestaan. Die is er de oorzaak van dat er jaarlijks een aantal zwerfdieren niet terug bij hun baasje geraken en dat sommige baasjes die hun hond hadden gedropt uiteindelijk ongestraft zijn gebleven. Ook wordt er door de eigenaars soms zeer nonchalant met het registreren van de chip omgesprongen. Hier zouden controles en boetes moeten volgen. Ik pleit ook voor betaalde krachten voor elk asiel. Erg oude honden die niet geregistreerd werden, zouden vrijgesteld moeten worden om de kosten bij adoptie te drukken. Wat het chippen van katten betreft, wil ik een constructief debat over de haalbaarheid ervan. Ik wil ook strengere straffen voor dierenverwaarlozing, meer controle op het houden van dieren en sneller en efficiënter werk bij sommige overheidsdiensten.
Door de jaren heen ben ik ook gaan beseffen dat als er structureel niets verandert, we zullen blijven jammeren en hopen. Nu moeten vooral broodfokkers en illegale kwekerijen aan de schandpaal. Zulke taal gebruik ik in normale omstandigheden niet, maar deze toestanden maken me kwaad.

Lieve mensen, sta me toe nog even te melden dat ik mijn beestjes hoe langer hoe liever ben gaan zien. Noem me gek, noem me vreemd (dat bén ik soms ook)... Een warme dank aan alle mensen die gekozen hebben voor een dier uit het asiel. Maar ook aan de mensen die wandelen, aaien, eten brengen. Mensen die een paar minuten aandacht geven. En tot slot, aan alle mensen die zeggen “ik zou het niet kunnen”: probeer het eens!

Maria Pauwels (Protego 117 - december 2011)

Maria Pauwels